ADVENT

Gij die der sterren schepper zijt,
met eeuwig licht uw kinderen leidt,
o Christus die de mensen redt,
hoor naar ons innig smeekgebed.

Gij ziet in uw erbarmen groot
de wereld zinken in de dood,
en komt te hulp nu zij verkwijnt
en geeft U zelf als medicijn.

De wereld zinkt in avond neer,
Gij treedt als bruidegom, o Heer,
te voorschijn uit de schoot der Maagd,
de zuivere moeder die U draagt.

 

Voor uw immense majesteit
buigt alle knie zich wijd en zijd,
buigt aarde en hemel zich ter neer
en dient U op uw wenken, Heer.

O Rechter die het oordeel spreekt,
o Heilige, ons harte smeekt
dat Gij ons voor de pijlen hoedt
waarmee de vijand rondom woedt.

U, koning Christus, onze Heer,
zij met de Vader lof en eer,
en met de Geest die troost en leidt,
van eeuwigheid tot eeuwigheid.

RORATE

Dauw, hemel, uit uw hoogten neer
en regen de Gerechte.

Wees niet te zeer vertoornd, Heer God;
en blijf niet altijd door onze schuld gedenken.
Uw heilige stad is een woestenij geworden;
Sion is nu een woestenij;
Jeruzalem is een wildernis:
onze tempel, het huis van uw heiligheid,
het huis van uw luister,
waar eens onze vaderen uw lof zongen.
Dauw . . .

Wij deden kwaad,
wij werden allen verontreinigden,
en wij vielen neer,
wij allen als verwelkte bladeren;
onze ongerechtigheden,
zij blazen ons als een windvlaag weg.
Gij hebt uw aangezicht nu voor ons verborgen
en ons prijsgegeven:
prooi van onze ongerechtigheden.
Dauw . . .

 

Zie, Heer, naar uw volk;
zie, Heer, naar uw volk en zijn ellende
en zend Hem die Gij zenden zult;
zend Hem voor U uit,
het Lam, Heerser der aarde,
vanaf de woestijnrots
naar de berg van dochter Sion
om zelf weg te nemen
het juk van onze ballingschap, Heer.
Dauw . . .

Laat u troosten, volk, laat u troosten, volk;
want gij zijt mijn volk;
nu zal spoedig uw redding komen;
waarom wordt uw hart verteerd door rouw,
wordt u aangegrepen door droefheid?
Ik red u toch: dus vrees niet, vrees niet;
Ik ben immers de Heer,
Ik ben immers uw God,
Israels Heilige en uw Verlosser.
Dauw . . .

Vertaald door: P. Penning de Vries SJ

O WIJHEID, Gij zijt voortgekomen
uit de mond van de Allerhoogste
en doordringt alles met milde kracht;
kom nu, wijs uw uw wegen.

O ADONA, Heer van Israëls huis,
Gij zijt aan Mozes verschenen
in het brandende braambos
en hebt hem de wet gegeven op de Sinai;
kom nu, bevrijd ons met sterke hand.

O WORTEL VAN JESSE, Gij zijt het Teken
waar de volken op hebben gewacht;
voor U staan koningen sprakeloos
en werpen hun onderdanen zich biddend neer;
kom nu, wacht niet langer.

O SLEUTEL VAN DAVID, en Scepter van Israëls
huis, wat Gij opent zal niemand meer sluiten;
wat Gij sluit, zal niemand meer openen;
kom nu en bevrijd ons, gevangenen,
uit de duisternis en de schaduw van de dood.

O DAGERAAD, Afglans van het eeuwig Licht
en Zon der gerechtigheid;
kom nu met uw licht tot hen die in duisternis leven,
in de schaduw van de dood.

O KONING DER VOLKEREN, zo lang verwacht,
Gij zijt de hoeksteen waarop alles rust:
kom nu, red de mens die
Gij uit aarde hebt gevormd.

O EMMANUEL, Koning en Wetgever,
lang verwachte Redder van de volkeren,
kom nu, red ons, Heer onze God.

Laat ons bidden. Heer, wij smeken U: help uw volk om waakzaam uit te zien naar de openbaring van uw Zoon, opdat, wanneer Hij de aarde wil komen bezoeken, Hij ons niet slapend vindt in zonden, maar ijverig in uw dienst en in blijde bereidheid om Hem te prijzen, en opdat wij met Hem binnegaan naar de bruiloft van het Lam. Door Hem, onze Heer Jezus Christus, uw Zoon, die met U leeft en heerst in de eenheid van de heilige Geest, in de eeuwen der eeuwen. Amen.

O-antifonen worden in de Romeinse liturgie bij de lofzang Magnificat gezongen van 17 tot en met 23 december. Hierin bidden wij tot de voortdurend komende Christus; 1. wij drukken de verwachting van het kerstgeheim uit, 2. maar ook die van Christus’ wederkomst die de verlossing zal voltooien; 3. tevens smeken wij om zijn komst hier en nu. Eigenlijk is dit dus een gebed, dat wij het hele jaar door kunnen bidden.